Wat werkt op school?

januari 30, 2009

Ik ben nu twee keer op korte tijd in contact gekomen met het werk van Robert Marzano. De eerste keer tijdens een nascholing handelingsgericht werken en dan gisteren op de NOT in Utrecht.
De titel “wat werkt op school?” is natuurlijk heel verleidelijk. Dit zou wel eens ‘ons kookboek” voor het onderwijs kunnen worden, maar ik geloof niet in recepten voor opvoeding en onderwijs.
Het is dus hoog tijd voor mij om mij eens te verdiepen in het werk van de heer Marzano. Mijn eerste bedenking is dat de effectiviteit van de acties het criterium is waaraan alles wordt afgetoetst.
Als blijkt dat de tafels van vermenigvuldiging veel sneller gekend zijn door per fout antwoord een elektrische schok aan de leerling te geven, zou dit dan worden opgenomen in het boek?
Hoe fundeert Marzano zijn studie?

Dit zijn de belangrijkste vragen die ik me momenteel stel. Nu ga ik de komende weken op zoek naar antwoorden.

Ik kwam een tijdje geleden toevallig terecht op de website van oikoten, een organisatie die vooral bekend is om haar onthemende tochten voor jongeren. Uit nieuwsgierigheid nam ik een kijkje op de pagina van de begeleiders. Ik vroeg me eigenlijk af wat van een begeleider verwacht wordt.

Ik moet toegeven dat ik aangenaam verrast was door het gewenste profiel van een tochtbegeleider.

# De tochtbegeleider is minimum 26 jaar.
# Oikoten vraagt geen specifiek diploma, wél levenservaring.
# De tochtbegeleider staat open voor de leefwereld van de jongere, en laat zichzelf door de jongere in vraag stellen. De tochtbegeleider kent zijn eigen waarden en normen, maar kan ze relativeren.
# De tochtbegeleider kan de ongelijkheid tussen de jongere en zichzelf tot een minimum herleiden.
# De tochtbegeleider hanteert geen pedagogische en/of hulpverleningsconcepten. Hij is gewoon zichzelf.
# De tochtbegeleider gelooft dat het stappen op zich waardevol is en geen andere therapieën of werkvormen rondom zich verdraagt.
# De tochtbegeleider vermijdt de risico’s niet. Hij kan ze toelaten en zelfs opzoeken. Hij kan omgaan met de onrust die dit veroorzaakt en zoekt creatief naar oplossingen.
# De tochtbegeleider beseft dat hij er onderweg vaak alleen voor staat, en kan die eenzaamheid dragen, maar ook de verantwoordelijkheid om zelf beslissingen te nemen.
# De tochtbegeleider heeft een goede reden om zelf op tocht te gaan en het einddoel te halen. Hij is bereid om zelf te onthemen.
# De tochtbegeleider heeft humor en levenslust.
# De tochtbegeleider bewaakt de eigen grenzen.
# De tochtbegeleider bevindt zich op fysiek, emotioneel en relationeel vlak in een stabiele levensfase, waardoor hij voldoende draagkracht heeft om de eigen ontheming te ondergaan.

Ook de vraag naar niet-perfecte mensen vind ik heel mooi.

En tenslotte… de tochtbegeleider bezit vele van de hierboven beschreven eigenschappen, doch niet alle.

Een aantal van deze eigenschappen zouden mijns inziens mogen worden opgenomen in het beroepsprofiel van de leerkracht. Openheid, het beperken van de onderlinge ongelijkheid zonder zichzelf te verliezen, het toelaten van risico’s, rusteloosheid, ontheming, eenzaamheid en verantwoordelijk zijn voor mij sterke eigenschappen voor een leerkracht. Deze termen klinken misschien heel zwaar en eerder negatief. Toch denk ik dat ze een meerwaarde bieden voor de groei van leerlingen.

Ik blijf ervan overtuigd dat deze eigenschappen van een leerkracht de leerlingen veel meer bijbrengen dan een sterke vakinhoudelijke kennis. Van mijn eigen ervaringen op school herinner ik me niet de sterke vakinhoudelijke kennis of perfect uitgevoerde didactische kunstjes, maar die leerkrachten die mij iets leerden over mijzelf, de wereld, het leven. De inhouden zijn ondertussen al lang vervlogen en zoek ik wel snel op via wikipedia of enkele handboeken die ik nog bewaar.

Het is de leerkracht die de leerling dwingt na te denken over zichzelf, durft pijn te doen, tegen de muur laat botsen die echt iets leert, alle kennisoverdracht en competentieontwikkeling ten spijt.

phun getest

juni 19, 2008

Gisteren eindelijk eens tijd gevonden om phun te testen. Het programmaatje om te experimenteren met fysische processen waarover ik eerder schreef. Het downloaden verloopt zeer vlot en de installatie vraagt ook amper kennis van zaken. Met andere woorden kon ik ongeveer twee minuten na de start van het downloaden, het programma effectief gebruiken.
Wat mij opviel was het intuïtieve design. Er staan enkele mogelijkheden aangegeven en met klikken en slepen maak, verplaats en verwijder je heel eenvoudig objecten. Met de rechtermuisknop kan je dan heel veel opties van deze objecten aanpassen. Zo kan je vaste objecten vloeibaar maken, het soortelijk gewicht en de veerkracht aanpassen. Ankerpunten kunnen fungeren als motor die je een bepaald toerental en een bepaalde kracht kan meegeven.
Het programma is beschikbaar in het Nederlands waardoor het zelfs bruikbaar is om in de lagere school mee te werken. Ook heel leuk zijn de beschikbare modellen. Deze pagina’s zijn leuk opgevat en geven ook een snel overzicht van een aantal van de mogelijkheden van het programma.
Ik denk dat kinderen hier snel mee kunnen leren werken en dat het hen kan helpen om bepaalde processen te leren begrijpen. Zo zullen ze bijvoorbeeld het drijfvermogen van verschillende vormen kunnen testen en spelen met het soortelijk gewicht of de wrijving. Ook kunnen ze experimenteren met bijvoorbeeld de kracht die een motor zal moeten bezitten om een voorwerp met bepaalde eigenschappen te bewegen.
Dit zijn maar enkele manieren om te werken die onmiddellijk in mij opborrelen. Verder is het ook gewoon een leuk spel om te zien hoe voorwerpen zich gedragen wanneer ze aan kettingen en veren opgehangen worden en er andere blokken worden op gestapeld.

Koen Vervloesem schrijft op zijn weblog dat een beoefenaar van een metajob kennis moet bezitten over het onderwerp waarmee hij/zij op metaniveau werkt. Als voorbeelden haalt hij verder aan dat naast vertalers ook journalisten en politici metajobs beoefenen. Dit leidt tot de conclusie dat een minister van energie een ingenieur zou moeten zijn.

Ik zou graag leerkrachten bij in het rijtje beoefenaars van een metajob willen plaatsen. Tegelijk voer ik dan een pleidooi tegen het volledig beheersen van het onderwerp als voorwaarde voor het kunnen beoefenen van een metajob. Ik geloof dat een leerkracht die een onderwerp slechts minimaal beheerst, toch de leerlingen kan sturen door hen in hun denken te sturen en te ondersteunen. Een leerkracht die alles weet, alles kan, zal de leerlingen slechts kunnen vullen met zijn/haar capaciteiten en ze werkelijk vullen als vaten. Een leerkracht die beperkt is in kunnen en kennen, vormt een veel interessantere tegenspeler in die zin dat de leerlingen werkelijk in dialoog kunnen gaan met de leerkracht en hem/haar ook dingen kunnen bijleren. De machtspositie van een alleswetende meester plaatst de lerende constant voor zijn eigen onvolmaaktheid. Het toont ook een bepaalde manier van kennen. Namelijk dat enerzijds alles te kennen is en anderzijds dat er maar één bepaalde manier is om er te raken, namelijk door de directies van de leerkracht te volgen. Een onwetende meester toont echter deze onwetendheid en leert de leerling hiermee om te gaan.

Een mooie illustratie van deze theorie is te vinden in het boek “le maître ignorant” van Jacques Rancière, sinds dit jaar in het Nederlands verkrijgbaar, vertaald en ingeleid door Jan Masschelein.

Pas op, dit is allerminst een pleidooi voor minder kennis in het onderwijs. Leerkrachten die bepaalde kennis en vaardigheden bezitten kunnen deze veel makkelijker overbrengen aan hun leerlingen. Het kind mag niet zomaar met het badwater worden weggegooid. Over welke “essentiële” kenniselementen dit moet gaan, dat is een andere discussie.

Deze stichting bundelt een aantal interessante projecten omtrent leren, creativiteit en spelen. Op deze verfijnde website staat onder meer de map of creativity map of creativitydie deze projecten bundelt. Deze pagina kan een inspiratiebron vormen voor leerkrachten en opvoeders. Ik heb wel enige bedenkingen bij het doel van de organisatie. The purpose of this initiative is to explore the idea that children are a largely undiscovered human resource in modern society, that their potential must be set free, and new opportunities for children’s learning, creativity and play must be developed and encouraged in the 21st century.
Kinderen omschrijven als unidscovered human resource daar heb ik het persoonlijk wel erg lastig mee. Het klinkt mij erg dehumaniserend in de oren.