Koen Vervloesem schrijft op zijn weblog dat een beoefenaar van een metajob kennis moet bezitten over het onderwerp waarmee hij/zij op metaniveau werkt. Als voorbeelden haalt hij verder aan dat naast vertalers ook journalisten en politici metajobs beoefenen. Dit leidt tot de conclusie dat een minister van energie een ingenieur zou moeten zijn.

Ik zou graag leerkrachten bij in het rijtje beoefenaars van een metajob willen plaatsen. Tegelijk voer ik dan een pleidooi tegen het volledig beheersen van het onderwerp als voorwaarde voor het kunnen beoefenen van een metajob. Ik geloof dat een leerkracht die een onderwerp slechts minimaal beheerst, toch de leerlingen kan sturen door hen in hun denken te sturen en te ondersteunen. Een leerkracht die alles weet, alles kan, zal de leerlingen slechts kunnen vullen met zijn/haar capaciteiten en ze werkelijk vullen als vaten. Een leerkracht die beperkt is in kunnen en kennen, vormt een veel interessantere tegenspeler in die zin dat de leerlingen werkelijk in dialoog kunnen gaan met de leerkracht en hem/haar ook dingen kunnen bijleren. De machtspositie van een alleswetende meester plaatst de lerende constant voor zijn eigen onvolmaaktheid. Het toont ook een bepaalde manier van kennen. Namelijk dat enerzijds alles te kennen is en anderzijds dat er maar één bepaalde manier is om er te raken, namelijk door de directies van de leerkracht te volgen. Een onwetende meester toont echter deze onwetendheid en leert de leerling hiermee om te gaan.

Een mooie illustratie van deze theorie is te vinden in het boek “le maître ignorant” van Jacques Rancière, sinds dit jaar in het Nederlands verkrijgbaar, vertaald en ingeleid door Jan Masschelein.

Pas op, dit is allerminst een pleidooi voor minder kennis in het onderwijs. Leerkrachten die bepaalde kennis en vaardigheden bezitten kunnen deze veel makkelijker overbrengen aan hun leerlingen. Het kind mag niet zomaar met het badwater worden weggegooid. Over welke “essentiële” kenniselementen dit moet gaan, dat is een andere discussie.